Wat ligt aan de basis van monitoren en evalueren?
Het onderwijsaanbod bepaalt de leesontwikkeling
De leesontwikkeling van kinderen kun je niet los zien van de context waarin een kind leert lezen. Een goed aanbod van geïntegreerd lees-, taal- en kennisonderwijs (‘effectief leesonderwijs’) is een voorwaarde voor de leesontwikkeling van leerlingen. Pas als je aanreikt wat een leerling nodig heeft, kun je prestaties verwachten.
Om die reden monitor en evalueer je ook altijd het onderwijsaanbod dat bijdraagt aan de leesontwikkeling: ‘Wat heb ik gedaan, wat ging goed en wat kan ik nog doen voor deze leerling om bij te dragen aan het vloeiend, met begrip en met plezier lezen? ‘ Bij de nieuwe kerndoelen Nederlands zie je dit terug. Ze nodigen uit om te zorgen voor een rijk taal- en leesaanbod, een positieve leesomgeving en betekenisvol, geïntegreerd taal- en leesonderwijs.

Observeren in plaats van toetsen
Scholen gebruiken verschillende gestandaardiseerde LVS-toetsen om de leesvaardigheid en woordenschat van leerlingen te meten. Scholen die al werken aan geïntegreerd (effectief) leesonderwijs nemen deze toetsen vaak vooral af om te voldoen aan de –veronderstelde- eisen van de onderwijsinspectie.
Leerkrachten op scholen met dergelijk effectief leesonderwijs bereiden hun leerlingen voor om een gestandaardiseerde ‘begrijpend leestoets’ te kunnen maken (teaching tot the test’) terwijl een dergelijke toets ver af staat van de geïntegreerde leesaanpak op hun school. In hun onderwijsaanbod werken deze leerkrachten immers in samenhang aan vloeiend lezen, de opbouw van kennis en woordenschat, inzicht in tekstsoorten en structuren, leesvoorkeuren en leesmotivatie en mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid. De huidige gestandaardiseerde, ’versnipperde’ toetsen doen geen recht aan deze aanpak. Gestandaardiseerde toetsen zijn hoogstens een momentopname van een deelaspect van een leerling als lezer. Het resultaat geeft bovendien alleen weer hoe een leerling scoort ten opzichte van de norm (het landelijke gemiddelde).
Monitoring is juist bedoeld om een breed beeld te vormen van hoe een leerling leest, tot begrip komt en wat dat betekent voor je vervolgaanbod. Observeren op meer momenten, met verschillende teksten en in verschillende leessituaties, geeft doorgaans meer en bruikbaardere informatie dan één toetsmoment. Stel jezelf dus steeds de vraag of een genormeerde toets verplicht is en echt iets toevoegt aan je eigen observaties.
Labelen van leerlingen voorkomen
Monitoren en evalueren zijn niet bedoeld om tekortkomingen van leerlingen vast te stellen maar om te kunnen zorgen voor bekrachtiging van alle aspecten van de leesontwikkeling.
Het lijkt zo vanzelfsprekend: leerlingen typeren als ‘goede lezer’, ‘ongemotiveerde lezer’ of ‘zwakke lezer’. Dit doet echter geen recht aan de voortdurende ontwikkeling van leerlingen. Ze krijgen een label terwijl ze volop bezig zijn nieuwe dingen te leren. Het is wellicht logischer het (veranderlijke) gedrag te benoemen. Dus bij voorkeur niet spreken over zwakke lezer, maar een leerling die meer ondersteuning/oefening nodig heeft; een leerling niet bestempelen als (on)gemotiveerde lezer, maar de leerling die fervent leest of de leerling die nog geen interesse toont in lezen. Op deze website is de zich ontwikkelende lezer het uitgangspunt.