Wat doe je met de verzamelde gegevens (evalueren)?
De bij monitoring verzamelde gegevens gebruik je om de leesontwikkeling en je onderwijsaanbod te evalueren en vervolgens af te kunnen stemmen op wat leerlingen nodig hebben. In alle gevallen interpreteer je de leesontwikkeling in relatie tot het leesaanbod en andersom. Vervolgens beslis je of en hoe je hierover communiceert met leerlingen of ouders en welke vervolgstappen je gaat nemen.
Evalueren leesontwikkeling
Focus op groei in de leesontwikkeling
Gedurende het geven van onderwijs verzamel je allerlei informatie over hoe het met de leesontwikkeling van leerlingen gaat, van observaties tot toetsuitkomsten. Deze gegevens bekijk je een paar keer per jaar: niet analytisch, maar vanuit een brede blik, gericht op de grote lijn van hun leesontwikkeling. Dan zie je dat elke leerling stappen heeft gezet: de een wat sneller dan de ander. Focus op die groei en benoem die ook voor leerlingen. Voor hun vertrouwen in eigen kunnen (self-efficacy) is het belangrijk dat ze horen wat er allemaal goed gaat en wat voldoende op schema ligt.
Check achterstand ook informeel
De meeste leerlingen zullen binnen de marges vallen van de ontwikkeling tot een geoefende lezer. Variaties in tempo hoeven geen reden tot zorg te zijn.
Maar soms verontrust het beeld dat je uit de monitoring krijgt. De eerste stap? Verstoor de leesmotivatie van deze leerlingen niet en check het beeld daarom informeel nog eens: zie je hetzelfde als je gedetailleerder kijkt of valt het toch anders uit? Kijk ook kritisch naar je aanbod: heb je echt alles gedaan om deze leerling de juiste kansen te geven? Als je daarover twijfelt, werk dan eerst aan jouw aanbod. Met welke extra mogelijkheden kun je nu de leesontwikkeling weer op gang helpen? Verwacht je dat dit verschil maakt?
Wanneer jouw inspanningen niet leiden tot verbetering in de leesontwikkeling, ga dan verder op zoek naar andere mogelijke oorzaken. Je kunt een leerling bijvoorbeeld een tekst te lezen geven over een onderwerp waar de leerling veel van weet. Je kunt op die manier achterhalen of het niveau van leesvaardigheid vooral bepaald werd door te weinig achtergrondkennis of dat er andere oorzaken zijn. Immers, hoe meer kennis van het onderwerp leerlingen hebben, hoe meer en beter tekstbegrip ze kunnen laten zien.
Wees terughoudend met diagnosticeren
Voor enkele leerlingen kan er overduidelijk reden tot zorg zijn over hun leesontwikkeling. Als er te weinig vooruitgang blijft, zelfs na extra informele monitoring en een goed doordacht (aangepast) aanbod, dan kun je overwegen of verder onderzoek naar bijvoorbeeld een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of dyslexie, nodig is. De taalspecialist of interne begeleider/kwaliteitscoördinator kan daarover adviseren. Maar vraag je altijd af wat een diagnose door een (externe) deskundige oplevert. Als de uitkomst alsnog leidt tot dezelfde standaardaanpak, kan diagnosticeren meer nadelen hebben dan voordelen. Een leerling merkt dat er ’iets mis’ is en kan onzeker worden, terwijl juist het versterken van zelfvertrouwen zo belangrijk is voor de leesontwikkeling.

Evalueren onderwijsaanbod
Het onderwijsaanbod moet goed doordacht zijn om de leesontwikkeling te kunnen stimuleren. We onderscheiden onderwijsaanbod op drie niveaus: schoolbreed aanbod, het aanbod en de aanpak in de klas en het taalaanbod voor een individuele leerling.
Het schoolbrede leesaanbod afstemmen op wat nodig is
Voor een goede evaluatie van het leesaanbod is het helpend om gebruik te maken van een leesbeleidsplan voor je school, gebaseerd op de kerndoelen en inzichten in effectieve didactiek. De evaluatie kan zich dan richten op de vraag hoe jullie dat plan realiseren: doen we wat we bedacht hadden en hoe goed doen we dat? Deze evaluatie doe je met het hele team.
Het aanbod in de klas afstemmen op wat nodig is
Voor een goede evaluatie van het leesaanbod in de klas zijn de volgende vragen belangrijk:
- In hoeverre laat ik kenmerken van effectieve leesdidactiek terugkomen in mijn lesgeven?
- In hoeverre laat ik de onderwijsinhouden uit de kerndoelen terugkomen in mijn onderwijs?
- Werk ik met rijke teksten?
- Maak ik lezen betekenisvol?
- Zorg ik voor samenhang binnen alle taalvaardigheden en met andere leergebieden (zoals lezen over thema’s)?
- Maak ik mijn leesonderwijs actief door leerlingen te laten praten en schrijven over gelezen teksten?
- Lees ik elke dag voor en praat ik over boeken om leerlingen rijk taalaanbod te bieden?
- Doe ik wat ik me had voorgenomen, hoe doe ik dat, hoe goed werkt dat uit en wat kan ik anders en beter doen?
- Moet ik specifieke kennis en vaardigheden bijspijkeren om beter leesonderwijs te kunnen bieden?
- Past mijn aanbod bij de leeftijd en leesontwikkeling van alle leerlingen in de klas?
- Sluit mijn aanbod aan bij wat er in andere klassen gebeurd? Is er sprake van een doorgaande lijn?
Het aanbod voor de leerling afstemmen op wat deze nodig heeft
Voor het afstemmen van het aanbod op wat specifieke leerlingen in je klas nodig hebben, gebruik je een informele evaluatie. Dit is het proces waarbij je als leerkracht voortdurend ‘met jezelf in gesprek bent’ over wat je hebt gedaan, hoe dat is verlopen en wat je een volgende keer anders of beter kunt doen. Als het goed gaat met de leesontwikkeling van een individuele leerling, wil je kijken of en in hoeverre jouw aanpak hieraan heeft bijgedragen. Als bij een leerling de ontwikkeling hapert, onderzoek je of je mogelijkheden onbenut hebt gelaten. Wat neem je waar bij de leerling en wat kan daarvan de oorzaak zijn en de beste aanpak?
Afstemmen van het aanbod op wat een leerling nodig heeft, kan op veel verschillende manieren. De combinatie van veel uitdaging en veel ondersteuning geeft de beste kansen voor leren en betrokkenheid.
Communicatie over je monitoring en evaluatie
Communiceren met collega’s
Na de evaluatie bepaal je of het nodig is om hierover met je collega’s te communiceren. Dat hoeft niet altijd. Denk als team na welke informatie, op welk moment en voor wie relevant is om te weten en te bespreken.
Je kunt eerder in het proces van monitoren en evalueren al een of meer collega’s raadplegen. Om het beeld van de leesontwikkeling scherper te krijgen, kun je tussentijds met je duo-partner of een bouwcollega, de IB’er/KC’er of een taal-leesspecialist in de school je bevindingen bespreken en om aanvullingen of feedback op je waarnemingen vragen.
Overleggen met leerlingen en ouders
Ook de leerlingen zelf kun je betrekken bij het in beeld brengen van hun leesontwikkeling. Vaak kun je in gesprek met een leerling zelf meer te weten komen over iemands leesvoorkeuren en persoonlijke leesdoelen. Deze informatie kun je gebruiken om nog beter aan te sluiten op wat deze leerling nodig heeft of motiveert. Je kunt ook gesprekken met groepjes leerlingen of de hele klas doen.
Het kan ook nuttig zijn met ouders in gesprek te gaan over de leesontwikkeling van hun kind: vanuit wat goed gaat, kun je samen kijken wat ouders thuis kunnen doen om die positieve lijn vast te houden.
Houd het positief
Veel scholen zijn gewend om leerlingen te vergelijken met leeftijdsgenoten en ze te typeren als ‘sterke’, ‘gemiddelde’ of ‘zwakke’ lezers. Soms gaat het zelfs over ‘leesproblemen’ en benodigde interventies. Maar zo over leerlingen denken of praten helpt niet om hun leesplezier en vertrouwen in het eigen kunnen te versterken. En het is ook niet nodig. Als je bij monitoring en evaluatie kijkt naar twee dingen – de fase van de leesontwikkeling én het aanbod dat nodig is om een stap verder te komen – kun je het gesprek heel anders voeren. Praat in je team, met leerlingen en ouders over: wat heeft dit kind nu nodig om te blijven oefenen, groeien en verbeteren? Zo benadruk je dat elke leerling in ontwikkeling is en steeds een stapje verder komt. Dat zorgt voor een positief leerklimaat waarin iedereen vooruitgaat.